Misschien zijn sommigen onder u naar de woestijn geweest, de woestijn in het Oosten, bij de dageraad van de wereld ? Hebt u toen uw krachten beproefd met haar mysterie, met haar brandende en bijna onhoudbare stilte ? Met het mysterie van haar onmetelijkheid, haar licht, haar woeste en een beetje onrustbarende schoonheid ? Hebt u toen de golvende beschaduwde reliëfs of de schitterende okerkleur opgemerkt, die elkaar tot in het oneindige opvolgen en u altijd weer iets anders doen verwachten ? Een natuurlijke tempel met al zijn koepels zover het oog reikt. Een monotone dans waar elke kromming een geheim verbergt van intens en zacht licht. En de bewoner die daar verblijft, beurtelings verbergt hij zich en duikt weer op, zoals de eenvoudige en gewone beweging van iemand die zonder zich te vergissen in deze weidsheid naar zijn finaliteit opgaat. Dat is de plaats die God bij voorkeur heeft uitgekozen om zich te openbaren. In de woestijn biedt de natuur, teruggebracht tot haar brandende naaktheid, een maximale ontvankelijkheid, een bijna grenzeloze resonantie voor de eerste woorden van deze nieuwe, onverwachte en welwillende dialoog, tussen God en zijn schepsel. Het paste de Openbaring de woestijn te vinden en het paste de woestijn om haar Schepper de meest maagdelijke ruimte te bieden waar Hij zich kon openbaren zoals Hij is:

Ik Ben die Ik Ben. 
Exodus 3,14

In navolging van de heilige monniken die in het begin van de Kerk naar de woestijnen in Egypte en Palestina zijn getrokken met het Evangelie op het hart, kiezen

de monniken en monialen van de
monastieke Familie van Betlehem,
Maria Tenhemelopgenomen
en de Heilige Bruno

ervoor alles te verliezen om Christus te winnen.

Hun leven in de woestijn is contemplatie van Jezus’ Gelaat en van de onzichtbare en verborgen Vader, geput aan de zuivere bron van het Evangelie, in de leerschool van de Maagd Maria, en onophoudelijke vernieuwd in de Adem van de Heilige Geest. Daarom wordt dat leven gekenmerkt door stilte, eenzaamheid en broederlijke communio, ononderbroken gebed en liturgievieringen en handenarbeid die de schoonheid van de schepping weerspiegelt.

De Heilige Bruno biedt hun een levenswijsheid die aangepast is aan hun dorst naar God.


Wie Mij ziet, ziet de Vader. 
Johannes 14,9

De monastieke Familie van Betlehem, Maria Tenhemelopgenomen en de Heilige Bruno heeft geen andere bron van inkomsten dan de zorg van de hemelse Vader en het werk van haar leden. Het kunsthandwerk van de monniken en de monialen is niet alleen het middel om het dagelijks brood van elk monasterium te verdienen, maar het is ook een dienst aan de Kerk. Deze christelijke kunst wil een uitdrukking zijn van het geloof, een onthulling van Gods Mysterie - God die Schoonheid en Goedheid is - waarin de mens geroepen is binnen te treden. Het religieuze kunsthandwerk zoals iconen, beelden, medailles, kelken en wierook, enz. … en het handwerk van profane voorwerpen zoals aardewerk, of handbeschilderde faïence, kaarsen, sandalen, koekjes, enz. … wordt in de ateliers van de monasteria vervaardigd volgens de bekwaamheden van eenieder. Dit werk in pijn en moeite volbracht, verre van het elan van het gebed te schaden, zuivert het hart en versterkt de vereniging met God en de communio met de mannen en vrouwen van de ganse wereld die zwoegen om hun gezin te voeden. Deze kunstvoorwerpen willen alleen maar de Onzichtbare bezingen. Hun doel wordt bereikt als degenen die ze beschouwen over zichzelf heen worden gedragen in een zekere stilte van aanbidding.

Hij is het Beeld van de onzichtbare God. 
Kolossenzen 1,15